Terug naar Steden & regio's

Waarom signalen oppikken niet hetzelfde is als signalen verzamelen

De receptieve gemeente.

Jeroen Toet & Michiel de Roo

De receptieve gemeente

Waarom signalen oppikken niet hetzelfde is als signalen verzamelen en wat dat vraagt van middelgrote en grote gemeenten

Een white paper van Jeroen Toet en Michiel de Roo, Jester Strategy


Wat al maanden zichtbaar was

Het is een patroon dat we te vaak zien in middelgrote en grote gemeenten. Een vraagstuk dat zich plotseling op het bordje van het college legt… Een wijk die komt protesteren tegen een bouwplan, een ondernemersvereniging die de wethouder economie aanschrijft over een leeglopend centrum, een groep ouders die via de lokale krant aandacht vraagt voor een schoolprobleem. De reactie is bijna altijd dezelfde: "dit komt voor ons als een verrassing".

En bijna altijd was het dat niet. Wie achteraf reconstrueert, vindt de signalen terug. Een afgewezen subsidieaanvraag een jaar eerder. Een passage in een wijkenquête die met andere data niet werd verbonden. Een tweet van een raadslid waar niemand op klikte. Een opmerking van een handhaver tegen zijn leidinggevende, die eindigde in een gespreksverslag dat niemand meer las. De informatie was er. Wat ontbrak, was het mechanisme om al die fragmenten samen te brengen, te duiden, en in een gesprek te leggen.

Dit is geen verhaal over slecht functionerende ambtenaren of wegkijkende bestuurders. Het is een verhaal over een organisatie die ontworpen is voor iets anders dan waar ze nu voor staat. Een gemeente is gebouwd om beleid te maken en uit te voeren. Ze is veel minder gebouwd om voortdurend voeling te houden met haar externe omgeving en zich daarin te laten bijsturen. Dat tweede, wij noemen het receptiviteit, is in de meeste gemeenten organisatorisch nauwelijks belegd. En dat wreekt zich, in een tijd waarin de buitenwereld sneller verandert dan de gemeentelijke beleidscyclus kan bijhouden.

Receptief is niet hetzelfde als reactief of proactief

In gesprekken met colleges en directieteams gebruiken we drie modi om naar de verhouding tussen gemeente en buitenwereld te kijken.

  1. Reactief is de modus waarin een gemeente goed is op het oplossen van wat binnenkomt. Een melding van een omgewaaide boom, een bouwaanvraag, een klacht over geluidsoverlast. Het systeem is hierop gebouwd. Snel, betrouwbaar, rechtmatig. De meeste gemeenten hebben dit op orde.
  2. Proactief is de modus waarin de gemeente eigen plannen maakt en uitvoert. Een woonvisie, een omgevingsvisie, een mobiliteitsplan, een sociaal akkoord. Hier is in de afgelopen twee decennia veel in geïnvesteerd. De beleidscyclus is professioneler dan ooit. Plannen zijn vaak goed onderbouwd en breed gedragen op het moment dat ze worden vastgesteld.
  3. Receptief is een derde modus, en die ontbreekt in de meeste gemeenten. Receptief betekent: voortdurend voeling houden met wat er buiten de eigen organisatie speelt en daar als organisatie iets mee doen. Niet alleen met wat luid binnenkomt of met alleen dat wat past in de eigen plannen. Niet door direct in actie te schieten, maar door signalen serieus te nemen, ze te duiden, en op basis daarvan plannen en routines bij te stellen.

Het verschil zit in waar de informatie vandaan komt en waar het initiatief ligt. Reactief: de buitenwereld komt naar binnen via formele meldingen, en de gemeente lost op. Proactief: de gemeente bedenkt iets en stuurt dat naar buiten. Receptief: de gemeente zoekt actief naar signalen die nog niet luid genoeg zijn om binnen te komen en weegt mee wat ze betekenen voor het eigen handelen. Een gemeente die alleen reactief en proactief is, kan goed werk leveren. Tenminste, totdat de buitenwereld iets anders nodig heeft dan ze drie jaar geleden bij het vaststellen van het plan dacht. En die buitenwereld verandert nu sneller dan ooit.

Drie redenen waarom gemeenten uit voeling raken

Receptiviteit is niet vanzelf verdwenen. Ze is in de afgelopen decennia stelselmatig wegontworpen, en niet uit kwade wil. Drie ontwikkelingen verklaren wat we nu zien.

  1. De professionalisering van de beleidscyclus. In de jaren negentig en daarna is veel geïnvesteerd in betere planvorming, betere consultatie, beter risicomanagement. Dat heeft de kwaliteit van het beleid omhoog gebracht. Maar het heeft ook geleid tot een organisatie die in lange cycli denkt: een omgevingsvisie van tien jaar, een coalitieakkoord van vier, een begroting van één. Tussen die ijkmomenten in is weinig formele ruimte ingebouwd om signalen op te pikken die niet in de bestaande kaders passen. Het systeem is gebouwd voor implementeren, niet voor heroriënteren.
  2. De versnippering van de externe communicatie. Twintig jaar geleden hadden de lokale krant, de wijkraden en de georganiseerde belangengroepen samen aardig in kaart wat er in een gemeente speelde. Vandaag is dat versnipperd over duizenden kanalen: Facebook-groepen per wijk, lokale Instagram-accounts, WhatsApp-buurtgroepen, online petitieplatforms, X, TikTok. Geen enkele communicatieadviseur kan dat nog handmatig volgen. Wie er niet in investeert, verliest het zicht op wat er werkelijk leeft. En dan blijven alleen de luidste stemmen over: zij die de moeite nemen formeel binnen te komen via de raad, de krant of een gerichte lobby.
  3. De krimp van de zachte capaciteit. In bezuinigingsrondes sneuvelen voorspelbaar de functies waarvan de waarde lastig te kwantificeren is. Wijkmanagers, gebiedsregisseurs, beleidsadviseurs met een verkennende rol, de strategie-eenheid die niet aan een dossier vastzit. Dat zijn precies de mensen die signalen oppikken die nog niet in een formeel proces zitten. Hun afwezigheid is niet zichtbaar in een KPI, maar wel in de blinde vlek die jaar na jaar groter wordt.

Het gevolg is een gemeente die uitstekend kan reageren op wat formeel binnenkomt en uitstekend kan uitvoeren wat zelf is bedacht, maar die zwak is in het oppikken en duiden van wat zich in de luwte ontwikkelt. Wie hier iets aan wil doen, moet begrijpen wat er feitelijk gebeurt als signalen wel worden opgepikt.

Drie soorten signalen, drie soorten antwoorden

Niet elk signaal is van dezelfde aard, en het is een veelgemaakte fout om ze allemaal in dezelfde bak te gooien. We onderscheiden drie soorten.

  1. Zwakke signalen zijn fragmentarische aanwijzingen dat er iets kan gaan veranderen. Een nieuwe vorm van klein ondernemerschap die in één wijk opduikt en mogelijk de structuur van het centrum gaat raken. Een groep nieuwkomers met een heel andere verwachting van publieke voorzieningen dan eerdere generaties. Een technologische ontwikkeling (zoals laadinfrastructuur, deelmobiliteit, buurtbatterij) waarvan de consequenties voor de openbare ruimte nog onduidelijk zijn. Zwakke signalen vragen om verdieping: wat zien we hier, wat kan dit betekenen, welke informatie hebben we nog nodig?
  2. Sterke signalen zijn duidelijke gebeurtenissen of ontwikkelingen die om actie vragen. Een wijk die zich georganiseerd uitspreekt tegen een plan. Een leverancier die failliet dreigt te gaan. Een rechterlijke uitspraak die direct gevolgen heeft. Sterke signalen vragen om handelen, maar de valkuil hier is dat ze de schaarse aandacht zo opslokken dat de zwakke signalen blijven liggen. Een gemeente die alleen op sterke signalen stuurt, holt structureel achter de feiten aan.
  3. Patronen ontstaan als zwakke signalen samenvallen, of als ze door de tijd heen een richting krijgen. Drie wijken die onafhankelijk van elkaar dezelfde zorg uiten. Een opwaartse trend in een type meldingen die eerder anekdotisch leek. Een terugkerend thema in burgerpanels, in raadsvragen en in de lokale media. Patronen vragen om iets ingewikkelders dan actie of verdieping: ze vragen om mogelijk een strategieherziening. En precies die laatste reactie zit het minst goed in de gemeentelijke routines verankerd.

Een signaal zonder raamwerk is ruis. Het krijgt pas betekenis als je het kunt leggen tegen een verhaal over hoe je toekomst eruit zou kunnen zien.

Waarom een raamwerk onmisbaar is

Het probleem met signalen is niet dat er te weinig zijn. Het probleem is dat er te veel zijn, en dat ze in hun ruwe vorm zelden iets betekenen. Wie elke ochtend een lijst krijgt van honderd dingen die op sociale media of in lokale media zijn gezegd, weet aan het einde van de dag niet meer dan aan het begin.

Wat een signaal van ruis onderscheidt, is dat het iets zegt over een ontwikkeling die voor de gemeente strategisch relevant is. En dat oordeel kun je alleen vellen als je een idee hebt over welke ontwikkelingen voor jouw gemeente relevant kunnen zijn. Daarvoor zijn twee soorten raamwerken in onze ervaring het krachtigst.

Het eerste zijn toekomstscenario's. Niet als voorspelling (niemand weet hoe een middelgrote gemeente er in 2040 uitziet) maar als verkenning van de wezenlijk verschillende toekomsten waar de gemeente op voorbereid moet zijn. Een scenario waarin de bevolking sterk vergrijst en de zorgvraag domineert. Een scenario waarin de gemeente jonge gezinnen aantrekt en voorzieningen daarvoor tekortkomt. Een scenario waarin economische krimp en bestuurlijke fusies aan de orde zijn. Scenario's geven de organisatie een gemeenschappelijke taal om over toekomsten te praten, en, even cruciaal, een lijst van indicatoren die helpen herkennen welk scenario zich aan het ontvouwen is.

Het tweede zijn veranderdrijvers: de fundamentele krachten die op de gemeente afkomen, ongeacht welk scenario zich voltrekt. Demografische verschuivingen, klimaatadaptatie, energietransitie, digitalisering, vertrouwen in instituties, veranderende verhoudingen tussen rijk en lokaal. Veranderdrijvers vormen de categorieën waaronder signalen worden geordend. Een melding over een WhatsApp-groep die zich organiseert tegen een AZC valt niet onder "klachten" maar onder de drijver "vertrouwen in instituties" en wint daarmee aan strategische betekenis.

Wie zonder raamwerk signalen verzamelt, krijgt een dashboard. Wie met een raamwerk werkt, krijgt een gesprek. En dat is een verschil dat ertoe doet.

Wat AI wel en niet kan

AI is in dit verhaal een hulpmiddel, geen oplossing. Daar hoort een eerlijke uitsplitsing bij van wat de techniek wel en niet aankan.

Wat AI wel goed kan, is op grote schaal verzamelen en ordenen. Lokale media, openbare social media, raadsstukken, wijkenquêtes, klachtensystemen. Een AI-systeem kan dat continu doorzoeken, classificeren onder de eigen veranderdrijvers, en patronen zichtbaar maken die een mens nooit zou opmerken omdat ze over weken of maanden uitgesmeerd zijn. Het kan zwakke signalen detecteren, dubbelingen eruit halen en een eerste duiding geven. 'Signaling' noemen we dat. Voor een gemeente met beperkte zachte capaciteit is dat een wezenlijke versterking.

Wat AI niet kan, is begrijpen wat een signaal in een specifieke lokale context betekent. Of een groep bezorgde ouders een toevallige opwelling is of de voorbode van een breder patroon. Of een tweet van een raadslid spelpolitiek is of een serieus signaal. Of een terugkerend thema in een wijk verband houdt met een concrete gebeurtenis of met iets diepers. Die duiding vraagt mensen die de gemeente kennen, die de geschiedenis kennen, die de spelers kennen. AI levert grondstof. De duiding is en blijft mensenwerk.

Daarbij is er een serieus risico dat AI-gestuurde signaling juist het probleem kan versterken dat ze beoogt op te lossen. AI-modellen vinden patronen in data die ze hebben en die data is per definitie scheef. Online actieve groepen zijn oververtegenwoordigd. Wie geen Nederlands schrijft, is ondervertegenwoordigd. Wie zich niet uitspreekt, telt niet mee. Een gemeente die haar receptiviteit volledig via AI-dashboards laat lopen, hoort de luide stemmen nóg beter, maar de zwijgende meerderheid nog minder. Dit is geen reden om AI niet te gebruiken. Het is een reden om het bewust te combineren met andere informatiebronnen die juist de stille groepen bereiken: wijkbezoeken, gestructureerde gesprekken met partners en stakeholders in het veld, kwalitatief onderzoek.

Het werk dat AI niet kan: duiden met stakeholders

Wat een receptieve gemeente uiteindelijk onderscheidt, is niet het bezit van een signaling-systeem. Het is de routine om de signalen te bespreken. Eerst intern en vervolgens met de buitenwereld. Dat is de stap die in de meeste gemeenten ontbreekt, ook als het verzamelen wel op orde is.

Intern betekent dit een vast moment, bijvoorbeeld eens per zes weken, waarop het directieteam (en in een aantal gemeenten ook het college) de signalen van de afgelopen periode bespreekt. Niet om er onmiddellijk op te acteren, maar om er betekenis aan te geven. Wat zien we hier? Wat zou dit kunnen voorspellen? Welk scenario lijkt aan kracht te winnen? Welke lopende plannen kunnen hierdoor onder druk komen te staan? Welke aannames die we drie jaar geleden hadden, kloppen misschien niet meer?

Dat gesprek heeft een ander karakter dan een regulier directieoverleg. Het gaat niet over voortgang, niet over besluiten, niet over dossiers. Het gaat over wat we zien. Voor veel gemeentelijke organisaties is dat een ongebruikelijk type gesprek. Het vraagt dan ook een expliciet ontwerp om er ruimte voor te maken: een aparte agenda, een andere voorzitter, een ander format.

Extern betekent het dat de gemeente structureel het gesprek aangaat met stakeholders die anders alleen ad hoc in beeld komen. Niet de standaardconsultatie rondom een specifiek plan, maar gestructureerde verkenningsgesprekken met ondernemers, zorgaanbieders, scholen, woningcorporaties, sportverenigingen, ervaringsdeskundigen. Wat zien zij dat de gemeente niet ziet? Welke signalen uit hun werk komen overeen met de signalen uit de gemeentelijke data? En welke data spreken ze tegen? Een receptieve gemeente bouwt deze gesprekken in als routine, niet als incident.

Het meest waardevolle dat zo'n gesprek oplevert, is zelden een nieuw concreet feit. Het is een verschuiving in de duiding van feiten die er al lagen. En precies dat is wat receptiviteit in de praktijk is: niet het verzamelen van meer informatie, maar het vormen van een rijker beeld door wat je weet samen te brengen met wat anderen zien.

Drie ontwerpkeuzes voor de gemeente die receptief wil zijn

Voor wie de stap wil zetten van een reactief-proactieve naar een mede-receptieve gemeente, zijn drie ontwerpkeuzes in onze ervaring bepalend.

De eerste is eigenaarschap op directieniveau. Receptiviteit is geen communicatietaak en geen beleidsadviseurstaak. Het is een taak die op de hoogste ambtelijke laag belegd moet zijn, omdat alleen daar de bevoegdheid ligt om op basis van signalen lopende plannen ter discussie te stellen. In de gemeenten waar we dit zien werken, ligt het primaat bij de gemeentesecretaris of een directeur strategie, met heldere afspraken met het college over wanneer signalen bestuurlijk worden geagendeerd.

De tweede is een raamwerk dat actief wordt onderhouden. Een verzameling scenario's of veranderdrijvers die ooit is opgesteld en daarna in een la is verdwenen, helpt niets. Het raamwerk moet jaarlijks worden gereviseerd, in een vast ritme, met de organisatie en met externe partners. Niet om het volledig om te gooien, maar om te toetsen of de drijvers nog steeds de juiste zijn en of de scenario's nog steeds de relevante toekomsten beschrijven. Dat onderhoud is het bewijs dat het instrument leeft.

De derde is een gespreksritme met stakeholders dat losstaat van concrete dossiers. Dit is het lastigste, omdat het tegen de gemeentelijke logica ingaat om mensen uit de samenleving uit te nodigen zonder een concreet plan om over te praten. Maar precies daarom is het zo waardevol. Een gesprek zonder agenda dwingt tot luisteren in plaats van zenden. En het bouwt het netwerk op dat je nodig hebt op het moment dat een signaal wel acuut wordt, dan is er al een lijn, een vertrouwensbasis en een gemeenschappelijk taal.

Drie vragen voor het college en de gemeentesecretaris

Voor wie de receptiviteit van de eigen gemeente onder de loep wil nemen, zijn er drie vragen die het gesprek snel concreet maken.

Eén: als we de drie grootste verrassingen van het afgelopen jaar terugkijken, wat had ons niet hoeven verrassen? Welke signalen lagen er, in welke vorm, en waarom hebben we ze niet bij elkaar gebracht? Dit is geen verwijt, maar een leeranalyse. Zelden levert ze niets op.

Twee: hebben wij een gedeeld beeld (als directieteam en als college) van de twee of drie ontwikkelingen die onze gemeente in de komende vijf jaar het sterkst kunnen veranderen? Niet als vaststaand feit, maar als hypothese die we toetsen aan wat we zien gebeuren. Als dat gedeelde beeld er niet is, is er geen raamwerk om signalen tegen af te zetten en wordt elke discussie over signalen onproductief.

Drie: wanneer hebben we voor het laatst een gesprek gevoerd met externe stakeholders zonder dat er een concreet plan op tafel lag? Voor de meeste gemeenten is het antwoord pijnlijk. Het is ook het antwoord dat het meest direct veranderd kan worden: een eerste afspraak in de agenda is een eerste stap.

Receptiviteit is geen luxe. Het is, in een tijd waarin de buitenwereld sneller verandert dan de beleidscyclus, een voorwaarde voor goed bestuur. Een gemeente die alleen reageert op wat luid binnenkomt en uitvoert wat zelf is bedacht, voert een achterhoedegevecht. Een gemeente die ontworpen is om signalen op te pikken, te duiden en te bespreken (met de organisatie en met de samenleving) houdt voeling met haar omgeving, en houdt daarmee ook haar legitimiteit. Dat ontwerp begint niet met een tool of een dashboard. Het begint met de keuze om receptiviteit een plek te geven naast reactiviteit en proactiviteit, en daar de routines, het raamwerk en het gespreksritme bij te bouwen die de keuze waarmaken.


Over de auteurs

Jeroen Toet is senior strateeg bij Jester Strategy en werkt veel voor decentrale overheden aan vraagstukken op het snijvlak van strategie, sturing en bestuurlijke vernieuwing.

Michiel de Roo is strateeg bij Jester Strategy en werkt veel voor overheden en bedrijven op het gebied van scenarioplanning, strategievorming, ESG en het vertalen van strategie naar concrete plannen.

Dit white paper is geschreven op basis van praktijkervaring met scenarioplanning, signaling en strategisch advies bij Nederlandse gemeenten. De gepresenteerde inzichten zijn observaties van de auteurs en weerspiegelen de bredere praktijk van Jester Strategy in deze sector.